Het is zaterdagavond en Arthur zit op de bank. Hij denkt terug aan zijn werkweek. Hij heeft hard gewerkt, maar hij is toch niet tevreden. Op zijn werk zijn enorme achterstanden en met name Casper loopt de kantjes ervan af en dat maakt dat Arthur hem als de hoofdschuldige aanwijst van de achterstanden.
Arthur kijkt naar de nieuwe klok aan de muur. Hij ziet dat het 20:30 uur is. Dan ziet hij dat de klok veel te hoog hangt. Zijn vrouw Sofie heeft de klok gekocht met zijn goedvinden, maar ze heeft het niet goed opgehangen. Het moet veel lager gehangen worden. En daarnaast hangt de klok ook nog een beetje scheef. Arthur vraagt zich af hoe het komt dat Sofie niets kan, maar dan ook echt niets. Met het schoonmaken liggen er ook altijd kruimels op de grond en hij haat kruimels. Hij heeft haar vaker gezegd om alles netjes op te ruimen.
Sofie komt de kamer binnen en Arthur zegt verwijtend: ”Sofie, hoe vaak moet ik je zeggen om als je iets ophangt om het niet te hoog te hangen en al helemaal niet zo schuin. Kom kijken hoe dat ding hangt. Wat vind je er nu zelf van?”
Sofie kijkt omhoog naar de klok. Zij ziet dat de klok recht hangt en voor haar op de goede hoogte hangt. Het liefst zegt Sofie dat zij de klok goed vindt hangen, maar Arthur kan zo hardnekkig zijn in zijn mening door haar volledig naar beneden te halen als ze het niet eens is, dat ze besluit om te zeggen: ” Sorry, Arthur. Ik had de klok inderdaad wat lager moeten zetten en misschien wat rechter hangen.” Arthur reageert hierop: ”Wat heb ik daar nu aan? Nu mag ik het weer recht gaan hangen. Nooit kun je iets goed doen. Ook als je de vloer opruimt, altijd liggen er nog kruimels.” Sofie zucht en wordt stil. Arthur reageert op het zuchten: “Wat zucht je nu? Je kunt wel zuchten, maar het klopt toch wat ik zeg. Of lieg ik nu?“
Ze wil Arthur niet kwijt.
Sofie krijgt tranen in haar ogen en wil het liefst huilen. Ze zegt bedroefd: ”Het spijt mij, Arthur. Ik ga voortaan ervoor zorgen dat als ik wat ophang dat ik het niet te hoog en recht ophang. De vloer zal ik voortaan goed schoonmaken, zodat er geen kruimels op de vloer zijn.“
Arthur kijkt Sofie aan en zegt: “Ik hoop dat je de volgende keer het goed doet. Want hier heb ik niets aan. Het liefst wil ik nu gewoon weggaan bij jou. Kijk eens naar die vriendin van je! Amber is toch haar naam? Alles is perfect bij haar. Kun je niet een voorbeeld aan haar nemen?“
Sofie valt stil. Ze voelt dat onaangename gevoel van dat ze faalt, dat ze niet goed genoeg is. Ze wil zo graag goed genoeg zijn in de ogen van Arthur, maar niets lijkt goed genoeg te zijn. Ze wil Arthur niet kwijt. Ze zal nog harder haar best moeten doen om hem niet kwijt te raken. Misschien is het goed als ze nog wat vaker met Amber omgaat om te zien wat zij doet en om te kijken hoe zij ook zo kan leven. Sofie wil alles doen om Arthur bij haar te houden.
Wat zien we gebeuren in deze dynamiek?
Voor Arthur is niets goed genoeg. Ongeacht dat Sofie eigenlijk wel vindt dat het goed genoeg is. Maar Sofie is niet bestand tegen de klachten van Arthur, omdat zij zo hard haar best doet om gezien en erkend te worden door Arthur. Ze raakt langzaam zichzelf kwijt en om Arthur te behagen wil zij nu net zo worden als Amber.
Sofie voelt zich na elk gesprek met Arthur leeggezogen en krijgt dan steeds meer het gevoel dat ze niet goed genoeg is. De schaarste waarin Arthur leeft, daarin leeft Sofie ook.
Allebei voelen ze zich ongelukkig. De vraag alleen is: zijn ze ongelukkig door elkaar of maken zij zichzelf ongelukkig?
Arthur lijkt zich ongelukkig te maken door niets als goed genoeg te zien en eigenlijk zichzelf niet als goed genoeg te zien, wat hij vervolgens projecteert op de ander, en Sofie lijkt zich ongelukkig te maken door zich te laten leiden door Arthur voor wie niets goed genoeg is, waardoor ze alleen maar harder gaat rennen om wel goed genoeg te zijn in de ogen van Arthur.
Herken jij jezelf in deze dynamiek?
Voel jij dat niets goed genoeg is door de ogen van een ander en projecteer jij dit op jezelf?
Vind jij dat niets goed genoeg is en projecteer jij dit op een ander?
Als het antwoord ”ja” is op deze vragen, wat maakt dan dat jij niet goed genoeg bent of dat niets goed genoeg is? Is dat jouw stem of de stem van een ander?
Durf jij een eerlijk antwoord te geven op deze vragen of krijg je het gevoel dat als je een antwoord geeft dat je toch niet goed genoeg bent?

